|
Datum
- Donderdag 1 april 2010 - 20u
Plaats
- Sint-Michielstheater, Brussel
Programma
- Frédéric DEVREESE : Ouverture
- Peter SCHECK : Largo alla barocco
- Johannes BRAHMS : Dubbelconcerto voor viool en cello, opus 102
- Piotr Illich TCHAIKOVSKI : Symphony n°6 in si mineur, opus 74 (Pathetische)
|
 |
Solist
- Hanna & Katarzyna DRZEWIECKA (Polen) : Viool & Cello
Leiding
Organisator
- Organisme Permanent pour l'Intégration de la Culture Européenne (OPICE)
Hanna DRZEWIECKA (violon)
|
Hanna Drzewiecka werd geboren in Bydgoszcz, Polen. Na muziekstudies in haar geboortestad bij prof. Pawel Radzinski, studeert ze vanaf 1991 aan de Fryderyk Chopin Muziekacademie te Warschau bij prof. Krzysztof Podejko, waar ze de meestergraad behaalt.
In 1995 behaalt ze onder begeleiding van prof. Thanos Adamopoulos het hoger diploma en de derde meestergraad op het Koninklijk Conservatorium Brussel, waar ze ook de cursus kamermuziek beëindigt met een grote onderscheiding.
Ze sleepte tal van prijzen in de wacht, waaronder een prijs op het 18de Festival voor Russische en Sovjet Muziek in Gdansk en de SABAMprijs op de Tenuto-Wedstrijd voor de beste vertolking van een Belgisch werk. Hanna Drzewiecka geeft concerten in kamermuziekverband en als soliste, onder meer met het Filharmonisch Orkest van Bydgoszcz, Capella Bydgostiensis, het Kamerorkest Pro Arte van Warschau, I Musici Bruxellensis en het VRO, zowel in België als in het buitenland.
In januari 2005 werd ze uitgenodigd op de 4de Internationale Jean Sibelius Conferentie in de Verenigde Staten om er enkele onuitgegeven werken voor piano en viool te vertolken. Hanna is eerste viool van het Kryptos Quartet dat momenteel een vervolmakingscyclus volgt in de Musik Hochschule in Keulen met het Alban Berg Quartet. Het Kryptos Quartet behaalde in oktober 2008 de 2de prijs bij de Internationale D.Shostakovich Strijkkwartetwedstrijd in Moskou.
Van de Poolse Ambassade in België ontving ze de prestigieuze prijs “Poolse Cultuurpersoonlijkheid van het jaar 2008”.
Hanna Drzewiecka is Concertmeester van het Brussels Philharmonic Orchestra sinds september 2006. Voor het ogenblik bespeelt zij een "Pierre Silvestre à Lyon 1849" viool, in bruikleen gegeven door de Heer Paul Devroey.
|
|
Katarzyna DRZEWIECKA (violoncelle)
|
Katarzyna Drzewiecka komt uit een familie met een solide muzikale traditie. Haar vader, Jan Drzewiecki, pianist en leraar muziektheorie aan de Staats Muziekacademie, moedigde zijn vier dochters aan om ook beroepsmuzikant te worden. Katarzyna studeerde af aan de F. Chopin Muziekacademie in Warschau (Muziekuniversiteit Warschau) onder supervisie van Prof. Kazimierz Michalik en Prof. Stanislaw Firlej. Zij nam
deel aan master classes bij beroemde cellisten als Maria Tchaikovska, Mikhail Khomitzer, Milos Sadlo, Michael Flaksman en Daniel Shafran.
Ze won prijzen en onderscheidingen tijdens talrijke nationale en internationale cellowedstrijden. Ze ontving de 1e Prijs tijdens de Nationale Cellowedstrijd in Poznan (1987), waar ze ook de onderscheiding kreeg van Prof. Kaja Danczowska voor de beste vertolking van de “Symphony Concertante” van Kazimierz Wilkomirski. In 1990 ontving ze een speciale prijs tijdens de Internationale Johannes Brahms Wedstrijd in Hamburg.
Katarzyna Drzewiecka werkt als soliste en speelt in ensembles voor kamermuziek. Ze treedt op met verschillende beroemde orkesten in Polen en maakte opnames voor de Poolse Radio en Televisie. In 1997 vertolkte ze “Ningaloo” van Richard Cornell in première met het Baltisch Filharmonisch Orkest in Gdansk. Ze maakt deel uit van het trio Consonare per Varsavia en is sinds 2003 solo celliste in de Sinfonia Varsovia. In het seizoen 2006/2007, tijdens een tournee met het Pools Kamerorkest, speelde ze een duet samen met Nigel Kennedy.. |
|
Frédéric Devreese
|
|
Frédéric Devreese is een Belgische componist die op 2 juni 1929 in Amsterdam geboren werd. Hij legde zich toe op alle genres : opera, ballet, orkest- en kamermuziek, koor en piano. Het zijn echter zijn filmmuziek en zijn prestaties als dirigent die hem bekendheid zouden geven bij het publiek.
Zijn vader Godfried Devreese (1893-1972), zelf componist en orkestleider, geeft hem zijn eerste muzieklessen. Daarna studeert hij compositie in Brussel met Marcel Poot en orkestdirectie met René Defossez om zich vervolgens te vervolmaken bij Ildebrando Pizzetti (compositie) en Fernando
Previtali (orkestdirectie) aan de Sint Cecilia Academie in Rome, en ook bij Hans Swarowsky (compositie) aan de Staatsacademie in Wenen. Hij is pas 20 jaar als hij voor zijn Concerto n° 1 voor piano en orkest de Eerste Prijs van de Stad Oostende ontvangt. In 1983 wordt zijn Concerto n° 4 voor piano en orkest gekozen als plichtwerk voor de prestigieuze Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth.
Ten slotte wordt Ostinati voor altsaxofoon, accordeon en strijkers in 1998 als plichtwerk gekozen voor de Internationale Adolphe Sax Wedstrijd in Dinant. Hij ontving meerder nationale en internationale prijzen, waaronder de Prix Italia voor zijn TV-opera Willem van Saefthingen, de Georges Delerue Award en ook de Plateau Music Award voor zijn filmmuziek (en dat tot twee keer toe).
Frédéric Devreese dirigeerde het Filharmonisch Orkest van de BRT en talloze orkesten in de hele wereld. Dankzij opnames voor de firma Naxos (Anthology of Flemish Music) werd hij in 1996-97 benoemd tot Cultureel Ambassadeur van Vlaanderen.
De Ouverture voor groot orkest was een opdrachtwerk ter gelegenheid van de Koningsfeesten bij het 25-jarig jubileum van Koning Boudewijn. Het stuk moest oorspronkelijk in open lucht uitgevoerd worden en dat verklaart waarom Devreese het grote orkest in zijn volle zwaarte heeft aangewend. Toch is feestelijk karakter in alle dimensies tegenwoordig: tussen het plechtige openingsgegeven door de koperblazers gebracht en de triomfantelijke slotapotheose door het hele orkest, met de suggestie van klokgelui en beiaard, zitten vele andere aspecten van het ‘feest’. Het speelse in het allegro met een snel ritmisch en herkenbare melodie als basis toont de opgewondenheid die men in een feestroes ervaart. Het mars-idee van het feestelijk opstappen is in de pregnante aanwezigheid van het slagwerk, vooral de kleine trom, voorgesteld. De Ouverture bloeit open tot één groot feest, een werveling van klankrijkdom in het veelkleurige orkest.
Yves Knocaert
|
|
Peter Scheck
|
Peter Scheck werd geboren in Brno, in de Tsjechische Republiek, en studeerde er viool aan het Conservatorium. Hij komt voort uit een muzikale familie. Sinds 1991 maakt hij deel uit van het Symfonie-orkest van West-Bohemen in Marienbad.
Peter begon in 1997 met componeren ; zijn eerste twee werken zijn ‘Symfonie in mi mineur « 2000 »’ en het Concerto voor viool in la mineur De Zomer (première in 2006 in het Casino van Marienbad, die werd aangekondigd op de televisie). In 2004 wordt zijn werk ‘Melancholy’ in Brno vertolkt door het ‘Jeugd Symfonie-orkest’, en boekte er een groot succes.
In 2006 worden Peters composities voor viool en pianoforte tijdens een tournee door Japan vertolkt. Het jaar daarop wordt een groot deel van zijn werken in zijn land gespeeld, vaak met hetzelfde Symfonie-orkest van West-Bohemen, en één keer was hij zelf dirigent. Bij wijze van afscheid wordt begin 2008 zijn werk « Een wieg voor vriendelijke honden »; in Marienbad gespeeld ; sindsdien woont Peter met zijn echtgenote in Brussel en blijft componeren. Sinds september 2008 maakt hij deel uit van het BPO en speelt er viool.
Largo alla barocco is een indrukwekkende compositie die in 2008 in Brussel geschreven werd. Het hoofdthema karakteriseert zich door de bekende en pathetische barokke stijl en wordt eerst gedragen door violen en later door een hoorn en cello.
Halverwege de compositie verandert de stemming met hobo- en fluitsolo’s, die worden gevolgd door de strijkinstrumenten in typische barokstijl van pianissimo tot forte maximal. Aan het slot komt het langzame deel met het hoofdthema terug en wordt versterkt door trompetten en pauken die dynamique en fortissimo spelen.
|
|
Johannes Brahms
|
|
Johannes Brahms is een componist, pianist en dirigent uit Duitsland. Hij werd in 1833 in Hamburg geboren en begint zijn muziekstudies met zijn vader, die hoorn en contrabas speelt. Hij volgt piano met Kossel en compositie met Marxsen.
Tijdens zijn jeugd is hij cabaretpianist en geeft hij les. Vanaf 1848 geeft Brahms recitals. In 1853 leert hij Joachim en Schumann kennen die hem van harte aanmoedigen. Tussen 1854 en 1859 schrijft hij zijn Pianoconcert n° 1, dat het resultaat is van zijn eerste zogenaamde "Sturm und Drang"-periode. De twee Serenades, eerste werken voor alleen orkest, dateren uit 1858 en 1860. Omdat Brahms geen vaste betrekking kon vinden in zijn geboortestad, besluit hij in 1862 naar Wenen te vertrekken, waar hij voor de rest van zijn leven zal blijven, behalve om op tournee of vakantie te gaan.
In 1864 ontmoet hij Wagner, die hem vervolgens het leven zuur probeert te maken. Brahms kan heel zijn leven rekenen op de onvoorwaardelijke steun van de vaak onhandige beroemde criticus Hanslick. De jaren 1860 zijn gewijd aan grote werken voor piano (Variaties op een thema van Haendel, en op een thema van Paganini), aan kamermuziek en aan het Duitse Requiem. Het duurt tot 1873 eer de componist zich weer op orkest toelegt met de Variaties op een thema van Haydn, en spoedig gevolgd door de Symfonie n° 1. De Symfonie n° 2 dateert uit 1877, in hetzelfde jaar gevolgd door het Concerto voor viool, dat een van zijn meest bekende werken blijft.
Van 1872 tot 1875 dirigeert Brahms la Société des Amis de la Musique de Vienne. In 1878 leert hij Dvorak kennen, die hem bewondert en steunt. In 1879 gaat hij op tournee met de violist Joseph Joachim. De Symfonie n° 3 en Symfonie n° 4 volgen in 1883-1885, waarna Brahms niet meer vóór 1888 naar orkest terugkeert met zijn prachtige en originele Dubbelconcerto voor viool en cello.
Hij overlijdt in Wenen in 1897. In navolging van Beethoven, Schubert en Schumann, blijft hij heel zijn leven afkerig van opera en programmamuziek.
Het Dubbelconcerto in la mineur (op. 102) van Johannes Brahms is een concerto voor viool, cello en orkest en werd geschreven in de zomer van 1887 met de première op 18 oktober van datzelfde jaar. Brahms benadert het project angstvallig, omdat hij niet vertrouwd is met het schrijven voor deze instrumenten.
Hij schreef voor de cellist Robert Hausmann en zijn ex-vriend, de violist Joseph Joachim. Het concert was in zekere zin deels “een gebaar van verzoening” jegens Joachim na een lange vriendschap die onderbroken werd doordat Joachim van zijn vrouw scheidde.
Het Dubbelconcerto werkte als een soort verzoeningsmuziek.
Het concerto diende ook als AEF-motief, een afgeleide van FAE “frei aber einsam” ("vrij maar eenzaam"), het persoonlijk devies van Joachim). De compositie is opgebouwd in drie bewegingen snel-langzaam-snel, een klassiek schema, typerend voor instrumentale concerten:
1. Allegro (A mineur)
2. Andante (Re majeur)
3. Vivace non troppo (La mineur)
Joachim en Hausmann vertolkten het concerto tijdens verschillende concerten in het eerste seizoen van het ontstaan ervan (1887-88). Brahms droeg het manuscript aan Joachim op. Het Dubbelconcerto voor viool en cello is de zwanenzang van de composities voor orkest van Brahms. Het is ook het tegenovergestelde van het symfonisch concerto “Pianoconcert n° 1” dat een hoogtepunt betekende voor de componist. Hiermee realiseert hij een welhaast ideale combinatie van kamermuziek met orkest, die enigszins aan een klassieke concertante symfonie
doet denken.
|
|
Piotr Ilitch Tsjaikovski
|
Piotr Ilitch Tchaïkovski (1840-1893), 1893), zoon van een mijningenieur, geniet een goede opvoeding en is voorbestemd voor de magistratuur. Hij is een bang en overgevoelig kind en tijdens zijn muzieklessen klaagt hij dat die in hem doorklinken tot in het obsessieve. Het is pas ná zijn rechtenstudies en de ambt die hij als secretaris bij het Ministerie van Justitie bekleedde, dat hij in 1862 besluit om beroepsmuzikant te worden. Hij schrijft zich in aan het Conservatorium van Sint-Petersburg om orkestratie te studeren met Anton Rubinstein, en compositie met Zaremba. In 1866 wordt hij benoemd tot docent harmonie aan het Conservatorium van Moskou en begint hij zijn eerste werken te schrijven met een intense creatieve activiteit, die hij voor de rest van zijn leven zal houden.
Tsjaikovski schreef met succes in werkelijk alle genres. Behalve zijn podiumstukken (een tiental opera’s en drie balletten), zijn zes symfonieën en zijn kamermuziek, schreef hij ook een groot aantal zeer hartverscheurende lyrische melodieën.
Vanaf 1875 sluit hij vriendschap met Saint-Saëns, ontmoet hij regelmatig Liszt en Bizet. Maar 1876 is het sleuteljaar dankzij zijn relatie met de schatrijke mevrouw von Meck, zijn beschermvrouw en mecenas, die hem voor alle financiële problemen verhoedt en hem in staat stelt zich niet langer bezig te houden met zijn pedagogische activiteiten, om zich helemaal aan componeren te kunnen wijden. Merkwaardige ydille die Tsjaikovski en mevrouw von Meck gedurende veertien jaar aan elkaar verbindt en waarin ze besloten elkaar nooit te ontmoeten, maar waarin veelvuldig gecorrespondeerd wordt. Merkwaardige relatie trouwens ook die Tsjaikovski met Antonina Miliukova had, die hij in 1877 huwde : een totale mislukking, waardoor hij zich bewust werd van zijn homosexuele geaardheid, en waardoor hij in een chronisch depressieve staat raakte.
Tsjaikovski maakt zijn debuut als orkestleider in 1886. In 1891 vertrekt hij naar de Verenigde Staten om er zijn werken voor een enthousiast publiek te dirigeren. In juni 1893 werd hij Doctor Honoris Causa aan de Universiteit van Cambridge en sterft op 6 november van datzelfde jaar aan de gevolgen van cholera. De dag van zijn begrafenis wordt in heel Rusland als dag van nationale rouw afgekondigd.
Als jonge componist houdt Tsjaikovski zich afzijdig van de militante beweging van « De Vijf », hoewel de Russische stijl heel aanwezig is in zijn werk. Maar zijn muziek is voor alles sentimenteel, met een gepassioneerd verlangen om tragiek en humane passie te vertalen met een welhaast pathologische gevoeligheid. Hij had een enorme invloed op componisten als Arenski, Rachmaninov en Mahler. Tsjaikovski was zonder enige twijfel de belangrijkste componist van symfonieën van zijn generatie in Rusland en zijn melodisch talent was uniek.
De Symfonie n° 6 in si mineur, op. 74 van Piotr Ilitch Tsjaikovski werd tussen februari en augustus 1893 geschreven.
1. Adagio - Allegro non troppo (si mineur, in vier binaire maten)
2. Allegro con grazia (re majeur, in vijf binaire maten)
3. Allegro molto vivace (sol majeur, in vier ternaire maten)
4. Finale. Adagio lamentoso (si mineur dan majeur, in drie en vervolgens vier binaire maten aan het einde).
Zijn broer Modest Tsjaikovski gaf haar de bijnaam « Pathétique » (Патетическая), door het extreem getormenteerde karakter van het werk. Bovendien geeft Tsjaikovski in een brief aan zijn broer toe veel gehuild te hebben tijdens het componeren van dit werk. Opmerkelijk detail: deze symfonie is de eerste die met een langzame beweging afsluit (Adagio lamentoso), die de pathetische kant van dit werk en het gevoel van wanhoop nog versterkt.
De Symfonie n° 6 werd opgedragen aan Vladimir Davydov (neef van de componist) en de uitvoering ervan duurt 45 minuten. De eerste voorstellingen vonden plaats in Sint-Petersburg op 16 en 28 oktober 1893 onder leiding van de componist zelf. Maar de ontvangst door het publiek was matig. Pas drie weken later, onder leiding van Napravnik, werd « la Pathétique » een waar succes. Jammer genoeg was Tsjaikovski toen al overleden. |
|
|
20-09-2009 |
|